Isabella Muller – grondlegger van de Nederlandse bergsportvereniging

Hoe een jonge alpiniste een grote sportbeweging begon.

Isabelle Muller in bergsportkleding

Isabelle Muller in bergsportkleding

Oprichterster Nederlandsche Alpen-Vereeniging
Waar zou het idee om de Nederlandse bergsportvereniging op te richten ontstaan zijn? Op een zonnig terras met uitzicht op de besneeuwde bergtoppen in Zwitserland? In een berghut na een zware tocht? Of op een Alpentop na een lastige beklimming? Helaas, het was op een dansfeest in Leiden in 1902. De toen tweeëntwintigjarige Isabella Muller ontmoette daar de heer G. Gerlings, net als zij een jonge, fanatieke alpinist. Niet lang daarna stuurde Muller en enkele anderen in maart 1902 een circulaire rond onder Nederlandse alpinisten.

“Met het oog op de groote uitbreiding, die in de laatste jaren de bergsport bij ons Hollanders heeft gekregen, getuige het groote aantal onzer landgenooten, die zich bij buitenlandsche vereenigingen als leden hebben doen inschrijven, is bij ondergeteekenden de vraag gerezen of door aaneensluiting de belangen van onzer landgenooten, beoefenaars van deze sport, zouden kunnen worden bevorderd.”

Op 24 mei 1902 werd in Leiden in De Vergulde Turk aan de Breestraat 84 de Nederlandsche Alpen-Vereeniging (N.A.V.) opgericht. Haar vader werd de eerste voorzitter, zij secretaris. Het was de bedoeling dat de vereniging zich als sectie zou verbinden met de Deutscher und Österreichischer Alpenverein. Bij de oprichting had de vereniging eenentwintig leden en dat groeide binnen een jaar uit tot achtenzeventig. Nu, anno 2026, heeft de Koninklijke Nederlandse Klim- en Bergsportvereniging bijna 80.000 leden. Toch heel bijzonder, dat het initiatief voor de oprichting van deze vereniging, in die tijd, werd genomen door een jonge vrouw. Wie was deze Isabella Muller? Een korte biografische schets.

Spotprent in de kranten bij de oprichting van de N.A.V.‘Hier is de club – maar waar zijn de Alpen?’

Spotprent in de kranten bij de oprichting van de N.A.V. ‘Hier is de club – maar waar zijn de Alpen?’

Van Groningen naar de Alpen
Isabella Francisca Muller was de dochter van Dorothea Petronella Bohn (1846-1930) en de hoogleraar geschiedenis prof. dr. Pieter Lodewijk Muller (1842-1904). Zij werd op 11 mei 1880 in Groningen geboren als tweede kind in het gezin, met een oudere en een jongere broer. Vader was toen werkzaam in Groningen, maar verhuisde in 1883 naar Leiden waar hij als hoogleraar werd aangesteld.
Muller vertelde zelf over hoe zij alpinist werd. Eind 19e eeuw ging zij, met haar ouders op vakantie naar het Duitse Schwarzwald inclusief een uitstapje naar de watervallen van Schaffhaussen in Zwitserland. Het jaar daarop reisde ze naar Chamonix een maakte een traverse over de Glacier de Bossons. Laten beklom zij de Breithorn vanuit Zermatt. De volgende vakantie ging naar de Dolomieten waar zij kennismaakte met het rotsklimmen. Na deze ervaring besloot zij voor zichzelf: “Ik zocht voortaan tochten uit die alles opleverden: rotsen èn gletschers.”

Foto van Isabella Muller van de Aiguille d'Argentière op een uitvouwblad in de Mededeelingen van 1905

Foto van Isabella Muller van de Aiguille d’Argentière op een uitvouwblad in de Mededeelingen van 1905

Alpiniste
In 1902 maakte zij alleen een bergtoer vanuit Arolla. Hierover schreef zij het eerste artikel in de eerste uitgave van het tijdschrift van de vereniging ‘Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging’, met als titel ‘Van het Rhônedal naar Chamonix’. Zij reisde vanuit het Rhônedal in het Zwitserse Wallis naar Arolla. Ondertussen monsterde zij twee berggidsen aan die haar zouden begeleiden. Vanuit Arolla deden zij een beklimming van de Mont Blanc de Cheilon (3869 meter) via de westflank en de zuidwestgraat. Het was mooi weer en het liep allemaal prima. In de afdaling ging het bijna mis. Muller en de gidsen moesten over een precaire sneeuwbrug boven een gletsjerspleet. De eerste berggids deed dat voorzichtig kruipend en adviseerde Muller dat ook te doen. Die was eigenwijs en probeerde het lopend, waarbij zij direct door de sneeuwbrug zakte en aan het touw bungelde. Vanuit Mauvoisin trokken ze over de toppen van het Grand Combin massief, met een top van 4314 meter. Er stond een gruwelijk harde en koude wind, die haar bijna het plezier in de beklimmingen benam. Gelukkig ging alles goed, ook in de gevaarlijke passages. Via Bourg-Saint-Pierre bereikten zij de Cabane de Saleinaz. Al met al een tocht van 15 tot 16 uur!
Helaas sloeg het weer om. Na een extra dag in de hut bleef het slecht. Daarom werd afgezien van een beklimming van de Aiguille d’Argentière en daalde het gezelschap af via de Col du Chardonnet richting Chamonix.
In de begin jaren van haar carrière als alpinist, had ze de nodige problemen met haar kleding.

“Over praktische knickerbockers droeg ik een zware lodenrok vol plooien, die afhing tot op de grond. Knoopjes en koordjes waren listig aangebracht om de rok tot voetvrij te verkorten. Dat was al een hele concessie van het fatsoen aan de sport. Nooit heb ik die rok meer gedragen. Ik trotseerde in het vervolg de gechoqueerde of nieuwsgierige blikken, die mij volgden als ik de bergen introk in mijn knickerbockers en kort jasje.”

In 1903 publiceerde Isabella Muller opnieuw over een beklimming. Ditmaal in de Mont Blanc-groep, namelijk van de Le Petit Dru, een markante rotspunt van 3795 meter hoog. Zij en haar gidsen startten vanuit Refuge du Montenvers, waar nu het spoorbaantje vanuit Chamonix, dat pas in 1909 in gebruik werd genomen, eindigt. Er ging nog een extra drager mee, voor hout en dekens. Er moest namelijk op een rotspartij in de Charpouagletsjer worden gebivakkeerd. De beklimming door de rotsen van de Dru was een hele opgave; lastige, steile, soms overhangende rotsen, ook nog voor een deel verijsd. Even dreigden zij niet verder te kunnen, maar de berggidsen verenigden hun krachten en zij bereikten de top. Het artikel in ‘Onze Eeuw’ is helder geschreven met prachtige impressies van het berglandschap. Een jaar eerder publiceerde zij een zeer uitgebreid artikel in hetzelfde blad over haar alpinistische avonduren in de zomer van 1901 in Wallis.
In de gecombineerde jaargang 2 en 3 uit 1905 van de Mededeelingen schreef zij een artikel met als titel ‘Drie bergtochten van uit Salvan.’ Naast de vlotte en toegankelijk pen waarmee zij schreef, stonden er nu ook prachtige foto’s van haar hand bij dit verhaal.
Zo reeg Isabella Muller in de begin jaren van de 20e eeuw een indrukwekkende reeks, bepaald geen makkelijke bergtopen aan haar alpinistische palmares: Dent Blanche, Zinal Rothorn, traverse van de Barre des Ecrins, maar ze klom ook in Noorwegen.

Huwelijksaankondiging door de vader van de bruidegom

Huwelijksaankondiging door de vader van de bruidegom

Mevrouw Damsté-Muller
Op 1 maart 1906 huwde Isabella Muller met de zes jaar oudere Henri Titus Damsté (1874-1955). Hij was de jongste van zeven kinderen uit een groot predikantsgezin. In Leiden bezocht Damsté de HBS. Hierna studeerde hij in Delft voor het examen voor hoge bestuursambtenaren in de Indische dienst. Eind 1894 vertrok hij naar Batavia. In 1896 werd hij te werk gesteld als aspirant-controleur en later als controleur in Sidjoendjoeng aan de westkust van Sumatra. In 1902 werd hij overgeplaatst naar Atjeh en in 1903 naar Zuid-Celebes.
Gedwongen door ziekte keerde hij in 1905 voor een jaar verlof terug naar Nederland. In deze periode leerde hij Isabella Muller kennen, wat leidde tot het huwelijk. In 1906 vertrokken zij samen 1906 naar Indië. Uit het huwelijk werden vier zoons en één dochter geboren.
Tijdens de ledenvergadering van de Nederlandsche Alpen-Vereeniging van 8 november 1905 in Den Haag meldde de waarnemend voorzitter:

“…dat Mejuffrouw J. F. Muller wegens aanstaand vertrek naar Indië ontslag had genomen als Secretaresse tegen 1 Januari a.s., welke taak zij sedert de oprichting der vereeniging met zooveel ijver en toewijding heeft bekleed.”

In de notulen van de volgende algemene vergadering op 22 februari 1906 lezen wij over de voorzitter: “Hij sprak den wensch uit, dat Mejufvrouw Muller, na haar huwelijk en vestiging in Indië, onze Vereeniging zou blijven gedenken en zoo mogelijk voor deze en hare publicaties werkzaam zou blijven. Reeds dadelijk ontvingen wij een blijk harer voortdurende belangstelling, door de plaatsing in onze bibliotheek van hare geheele Alpine-boekerij en kaartverzameling, om tot wederopvrage in bruikleen te verblijven. Voor deze welwillendheid zij HaarEdele ons aller dank gebracht.”
In de periode van de Eerste Wereldoorlog verbleef het echtpaar in Nederland. In 1918 werd Damsté benoemd tot resident van Bali en Lombok, de hoogste rang in zijn loopbaan. In april 1923 ging hij met pensioen. Het echtpaar vestigde zich in Oegstgeest. Hier wijdde Damsté zich aan een enorme reeks wetenschappelijke publicaties over de cultuur en archeologie van Nederlands-Indië, het inheemse recht en het bestuur van de voormalige kolonie.

Openbaar gehoor ten huize van H.T. Damsté (midden rechts) resident van Bali en Lombok in Singaradja

Openbaar gehoor ten huize van H.T. Damsté (midden rechts) – resident van Bali en Lombok in Singaradja

Na vertrek naar Indië
Na haar vertrek bleef Isabella Damsté-Muller belangstellend lid van de vereniging. Als ze in Nederland was, bezocht ze de jaarlijkse ledenvergaderingen. Zij bleef, ook vanuit Indië, schrijven over alpinisme. In 1912 schreef zij een artikel over het tienjarig bestaan van de N.A.V.
Weer gevestigd in Nederland, publiceerde ze een reeks van vier artikelen onder de titel ‘Een Alpenreis in 1791’. Zij beschreef daarin een wandelreis in 1791 van de tweeëntwintigjarige Middelburgse portret- en landschapschilder Pieter Gaal. Samen met zijn oudere vriend vertrokken zij vanuit Parijs voor een tocht door het toenmalige Savoye en Zwitserland. Van deze reis had Gaal een uitvoerig dagboek nagelaten, dat uiteindelijk in het bezit van zijn achterkleinzoon Damsté kwam. Isabella maakte in deze artikelen een reconstructie van de wandeltocht.
In 1936 schreef ze een mooi verhaal over een tocht die zij maakte met haar zoon in het Zwitserse Graubunden in het tijdschrift ‘De Wandelaar’.
Haar laatste artikel in De Berggids, het magazine van de toen inmiddels Koninklijke N.A.V., dateert uit 1959 en handelde over de noodzakelijkheid van terreinkennis in de bergen.

Hier gelukkig niet vergeten…, 50 jaar N.A.V. - V.l.n.r. voor: De Ranitz (vz.), Damsté-Muller & Schippers (secr.)

Hier gelukkig niet vergeten…, 50 jaar N.A.V.
V.l.n.r. voor: De Ranitz (vz.), Damsté-Muller & Schippers (secr.)

Na de Tweede Wereldoorlog
Op sommige momenten werd zij even vergeten. Toen in 1948 mevrouw A.G.C. (Annie) Roelfsema, ook een voortreffelijk alpiniste, toetrad tot het bestuur van de N.A.V., memoreerde de toenmalige voorzitter jhr. mr. C.J.A. de Ranitz dat zij de eerste vrouw was in het bestuur van de vereniging. Wat een pijnlijke vergissing, de vereniging was nota bene opgericht door een vrouw! In het eerste bestuur zaten twee vrouwen.
Illustratief hoe er naar haar gekeken werd, is het volgende. In 1958 schreef de heer J.F. Saltet een artikel over zijn beklimming van de Aiguille de la Tsa (3668 meter) in de omgeving van het Zwitserse Arolla. Saltet, van 1955 tot 1958 bestuurslid van de Alpenvereniging, schreef: “In 1901 bestegen onze landgenote mevr. Damsté-Muller en haar twee gidsen (…) de wand.” Zij schreef hierover een artikel in Onze Eeuw in 1902, dat later ook verscheen in de Mededeeling in 1911. Vervolgens schreef Saltet de enigszins twijfelachtige zin: “Deze vrouwelijke belangstelling deed me aanvankelijk aan mij zelf twijfelen, aan de andere kant gaf zij ook wel enige geruststelling.” (Ofwel, als een vrouw dat kan, zal de beklimming wel niks voorstellen, dus voor mij zal het geen probleem zijn.) De beklimming viel hem en zijn klimpartner Rob Leopold zeer zwaar tegen. Saltet concludeerde uiteindelijk: “…dan kan ik voor de prestatie van mevrouw Damsté-Muller slechts de grootste bewondering hebben.”
Over de oprichting van de vereniging scheef zij:

“In den beginne was het geen florissante vereniging. Er werd gespot: er waren toch geen bergen in Nederland? En de kranten gewaagden smalend van de jonge vereniging. Maar de N.A.V. bleek levensvatbaar en groeide.”

Bij het veertigjarig bestaan van de N.A.V. in 1942, dat vanwege de Duitse bezetting van ons land niet werd gevierd, werd mevrouw Isabella F. Damsté-Muller benoemd tot erelid.
“Terug uit Indië heb ik veel rond gezworven in Tirol. Ik maakte vele mooie tochten zowel in de Zwitserse als in de Oostenrijkse alpen tezamen met mijn kinderen. Mijn allerlaatste bergtoer maakte ik in ’46 naar de Piz Kesch vanuit de Piz Ketschhut. Het weer was ideaal, ik had prettig gezelschap aan mijn hotelier uit Latsch en een paar Zwitserse medegasten, en de tocht had veel afwisseling. Het was een mooi slot van mijn alpinistenloopbaan.”
Isabella Muller overleed op drieënnegentigjarige leeftijd op 21 november 1973. De Ranitz, de voormalige burgemeester van Utrecht en oud-voorzitter van de Alpenvereniging, schreef een in memoriam in De Berggids: “Haar krachtige, originele geest heeft ons in de huidige generatie rijpe vrucht gedragen.”

Nederlandse vertaling van Stella Polare

Nederlandse vertaling van Stella Polare

Trivia
Isabella Muller vertaalde het boek ‘La “Stella Polare” nel Mare Artico 1899-1900’ van Luigi Amedeo di Savoia Duca degli Abruzzi, U. Cagni e A. Cavalli Molinelli uit het Italiaans in het Nederlands. ‘De Reis van de “Stella Polare”’ verscheen bij Sijthoff in 1900. De vertaling kwam tot stand met hulp van dr. Maurits Snellen, voormalig expeditieleider van de Nederlandse poolexpeditie in 1882-1883 en later directeur van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI). Het boek is een verslag van de Noordpoolexpeditie onder leiding van de hertog der Abruzzen.

In de gecombineerde jaargang 2 en 3 van de Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging van 1905 schrijft zij de volgende notitie.
“Zalf-recept.
Als een goed middel tegen het doorloopen van voeten heb ik de volgende zalf leeren kennen:
Acid. Salioyl………..1
Lanolien………….. 35
Yasel. Alb………….15
Het is hetzelfde middel dat door onze soldaten op marschen gebruikt wordt.
Vóórdat men een tocht onderneemt en zoo mogelijk gedurende den tocht, wanneer men bemerkt, dat de voetzolen gevoelig beginnen te worden, wrijft men de voeten met deze zalf goed in, terwijl men de inwrijving ook na elken marsch herhaalt.
Weliswaar verhindert dit middel niet absoluut het ontstaan van blaren, maar de voeten worden toch veel minder gevoelig; daarenboven geneest deze zalf de huid snel en vermindert zij dadelijk de pijn.
Verder kan ik ten zeerste aanbevelen tegen het verbranden van de gelaatshuid gedurende gletschertochten: de pommade Sechehaye (Dépôt général: Pharmacie E. Hausser, 10 Place du Bourg de Four, Genève. Prix fr. 1.75.), bij de meeste Zwitsersche apotheken te verkrijgen.
Het vermoeden is niet ongewettigd, dat de gunstige werking der zalf ten deele op rekening van de gele kleur te stellen is. De gele kleurstof belet de chemische (en daardoor prikkelende) lichtstralen, de blauwe en violette, tot de huid door te dringen.”

Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging 1903

Mededeelingen der Nederlandsche Alpen-Vereeniging 1903 – Isabella Muller zat in de redactie en schreef hierin het allereerste artikel

De tekst van dit artikel werd voor het eerst gepubliceerd op het online geschiedenismagazine Historiek.

Bronnen
De bronnen voor dit artikel alsmede de verwijzingen/voetnoten kunnen worden teruggevonden in de tekst van het artikel via deze link.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.