“Mrs. Visser, who makes little of her own exploits…”, een biografische schets
Jonkvrouw Jeannette (Jenny) Visser-Hooft werd in de twintiger- en dertigerjaren van de vorige eeuw landelijk bekend. Dit vanwege de indrukwekkende expedities die zij, samen met haar echtgenoot Philip Visser, maakte naar onbekende bergmassieven on de Karakoram in het noorden van het huidige Pakistan en India. Het waren zeer zware en spannende expedities. Zij verbleven wekenlang onafgebroken in het hooggebergte in tientallen kampen. Er lagen voortdurend bedreigingen op de loer, zoals lawines, overstromingen, sneeuwstormen, het oversteken van snelstromende rivieren, gletsjerbreuken en gevaarlijke steenslag. Wie was nu precies Jenny Visser-Hooft, die als enige vrouw in deze expedities een belangrijke bijdrage leverde aan het slagen ervan? Een biografische schets.

Jenny Visser-Hooft – J. van Lynden de Clercq, tekening – 1926
Opvoeding en onderwijs
Jonkvrouw Jeannette Hooft werd geboren op 18 juni 1888 in het Engelse Fullham bij Londen. Zij was de oudste van de twee dochters van jonkheer Maurits Wijnand Hendrik Hooft (1837-1921) en diens vierentwintig jaar jongere vrouw Jeannette Henriëtte Grader van der Maas (1861-1939). In december 1889 verhuisde het gezin naar Maarn op de Utrechtse Heuvelrug. Op 1 juli 1893 vertrok het gezin weer naar Engeland. Zij bracht haar kinderjaren grotendeels door in Engeland.

Kinderbriefje van Jenny uit het Nationaal Archief
Het voortgezet onderwijs volgde zij op een kostschool voor meisjes in het Zwitserse Genève. Hier ontsproot haar fascinatie voor de bergen. In 1911 schreef Jenny een verhaal in het jaarboek van de Alpenvereniging over een zomervakantie in Saas-Fee met de meisjes van haar kostschool.
In 1910 ontmoette Jenny Philip Visser in Zermatt in Zwitserland. Op 25 januari 1912 traden zij in het huwelijk in Den Haag. Zij gingen wonen aan de toenmalige Nassaustraat 45 in Schiedam. Philip werkte in het productiebedrijf van jenever en likeur van zijn vader en oom.
Huwelijksreis
Een paar dagen na hun huwelijk reisde Jenny met haar echtgenoot met de trein naar Zwitserland voor een huwelijksreis. Ze gingen eerst naar Mürren in het Berner Oberland. Hier dompelden zij zich onder in de wintersport: winterwandelingen, schaatsen, rodelen en vooral ‘ski-loopen’, wat nog het meeste lijkt op het huidige telemarken of langlaufen. ’s Avonds dineren, muziek en dansen.

Ski-loopen in Zwitserland – Jenny 2e van links
Na Mürren gingen ze naar Zermatt. Hier logeerden ze bij de legendarische Rudolf Taugwalder. Deze berggids verloor in 1908 vingers en tenen door bevriezing tijdens een beklimming in de Andes in Zuid-Amerika. Jenny en haar zus Wanda organiseerden in 1909 in Nederland een bazaar voor hem die duizend gulden opbracht. Jenny deed vanuit Zermatt in de ijzige kou, een voor die tijd opvallende winterbeklimming op ski’s naar de top van de Breithorn (toen 4.171 meter).
Terug in Nederland schreef Philip het eerste boek over de wintersport in de Nederlandse taal Winter in de Alpen. Hij droeg dit op aan “mijn vrouw en tochtgenoote”. Dit boek is bijzonder, het behoort tot de oudste boeken ter wereld over de wintersport. Jenny schreef hierin ‘Een hoofdstuk voor wintersportbeoefenaarsters’. Het gaat met name over kleding, want overdag in de sneeuw vraagt iets heel anders, dan ’s avonds bij het diner dansant in het luxe hotel.
Alpenvereniging
In 1902 werd in ons land de Nederlandsche Alpen-Vereeniging (NAV) opgericht. Jenny Hooft sloot zich in 1906 of 1907 aan bij deze vereniging. De bibliotheek van deze vereniging werd in 1907 ondergebracht bij een nieuwe bibliothecaris, namelijk haar latere echtgenote Philip Visser. Zij had dus na haar huwelijk direct toegang tot alle literatuur over alpinisme. Dat stelde haar bijvoorbeeld in 1913 in de gelegenheid een gedegen artikel te schrijven over de historie van de Jungfrau.

Jenny langs de Liongraat op de Matterhorn – 1924
Jenny was een uitstekende bergbeklimster. Fascinerend is het verhaal hoe zij in 1919, met haar man en vaste berggids Franz Lochmatter de Zmuttgraat van de Matterhorn beklom, bepaald geen eenvoudige route, en via de Hörnligraat afdaalde. Een groot vallend rotsblok raakte Philip waardoor hij zijn onderbeen brak. Zij zijn dan in de afdaling op circa 4100 meter. Een reddingsoperatie werd niet overwogen. Jenny nam de rugzak van Visser extra op haar rug. Gids Lochmatter ondersteunde hem helemaal naar de voet van de Matterhorn waar nu de Hörnlihütte staat.
Hoezeer Jenny en Philip gewaardeerd werden in de alpenvereniging, bleek wel uit het feit dat de plechtige viering van het twintigjarig bestaan in 1922 een maand werd vervroegd, omdat de zij zouden vertrekken naar de Karakoram voor hun eerste expeditie. Na deze eerste expeditie werden zij beide benoemd tot erelid van deze vereniging.
In 1923 werd Jenny Visser-Hooft vicepresident van de Britse Ladies Alpine Club. Dit onderstreepte haar internationale reputatie als alpiniste en expeditie specialist in de Kaukasus en Karakoram.
Kaukasus
Jenny en Philip vatten het plan op om in de zomer van 1914 naar de Kaukasus te reizen en daar een poging te doen de 5.047 meter hoge Kazbek te beklimmen. In zijn dagboek schreef Philip dat Jenny en hij in het voorjaar 1914 op dat idee kwamen, zonder zich te herinneren wie het als eerste opperde.
Het was 5 juli 1914 toen Jenny en Philip op een passagierschip naar Istanbul vertrokken. Op 28 juli 1914, de dag waarop de Eerste Wereldoorlog formeel aanving, scheepten zij zich in voor de boottocht over de Zwarte Zee naar Batoemi. Eenmaal daar gearriveerd overwogen zij nog wel direct terug te reizen.
Op 3 augustus kwamen zij na een lange treinreis in Tbilisi aan. In Europa was de Eerste Wereldoorlog in volle omvang uitgebroken. Feitelijk zaten ze nu vast. Een vertegenwoordiger van het Russische gezag in Tbilisi deed hen het voorstel toch naar de Kaukasus in te reizen.

Philip, Jenny en de prins en generaal Kazbek voor vertrek (v.l.n.r.) – 1914
In Kazbegi of Stepantsminda dineerden Jenny en Philip bij de prins en generaal Georgy Nikolayevich Kazbek (1840-1921), de voormalige chef van de Russische generale staf. Hij hielp hen op weg om een poging te doen de Kazbek te beklimmen. Het was dagenlang slecht weer, maar op enig moment klaarde het op en zien zij de indrukwekkende Kazbek. Met een paar dragers gaan Jenny en Philip op pad. Eenmaal op de gletsjer moesten zij vanwege hevige sneeuwval en onweer alweer omkeren. De top werd bij lange na niet bereikt.

Jenny mislukte poging Kazbek te beklimmen – 1914
Nu moesten Jenny en Philip terug zien te keren naar Nederland. Met de trein reisden zij dwars door Rusland. Eerst vanuit Tbilisi, nog verder naar het oosten naar Bakoe. Dan van zuid naar noord, Rostov, Moskou en Sint-Petersburg. Hier verbleven zij op het Nederlandse gezantschap waar mr. dr. A.M.D. baron Sweerts de Landas Wyborgh gezant was. Hij probeerde het energieke en representatieve echtpaar te verleiden toe te treden tot de diplomatieke dienst. Wanda Fleck, de oudste dochter van Visser uit diens tweede huwelijk vertelde: “Mijn moeder was overtuigd dat hij een oogje op Jenny had.”
De verdere terugreis verliep van Sint-Petersburg door Finland en Zweden naar Nederland.

Jenny met gezant Sweerts de Landas op een schip onderweg naar Finland – 1920
Sint-Petersburg
Twee jaar na de benauwde reis vanuit de Kaukasus, vertrokken Jenny en Philip in 1916 opnieuw naar Rusland. Zij gingen, tijdens de Eerste Wereldoorlog, voor het ‘Comité van de Nederlandsche ambulance voor Rusland’ naar Sint-Petersburg, wat toen Petrograd heette. Het begrip ‘ambulance’ duidt op de faciliteiten voor een mobiel noodziekenhuis, dat werd ingericht om gewonde militairen te verplegen. De Eerste Wereldoorlog was op vele fronten gaande. Vanuit de Nederlandse samenleving werd medische noodhulp voor onder meer Rusland georganiseerd. Het genoemde comité was een initiatief van en stond onder voorzitterschap van mevrouw Lydia Heemskerk-de Zaremba. Zij was de dochter van een Russische gravin uit Sint-Petersburg en de tweede echtgenote van de landelijk bekende politicus en premier Theodoor Heemskerk. Zeer waarschijnlijk was Jenny met haar in contact gekomen via de gezant in Sint Petersburg Sweerts de Landas.

Jenny en Philip voor hun huis met bagage voor ambulance voor vertrek naar Rusland – 1916
Jenny en Philip reisden eind april 1916 helemaal om de Duitse gebieden heen, eerst naar Newcastle in Engeland, dan naar Bergen in Noorwegen en vervolgens met de trein naar Finland.
Zij kwamen op 10 mei 1916 aan in Sint-Petersburg om de voorbereiding van de opening van het noodhospitaal ter hand te nemen. Op 30 juli werd het noodhospitaal officieel geopend. Op 2 augustus arriveerden de eerste ernstig gewonde soldaten. Het noodziekenhuis stond ver van het front en was erop gericht om de gewonde militairen, na eerste medische spoedhulp aan het front, zo snel mogelijk te revalideren. Wegens beperkte financiële middelen zou de uitzending van de medische staf niet langer dan een half jaar duren.

Officiële opening 30-07-1916. Dame rechtsvoor is mevrouw Heemskerk-de Zaremba, dame middenvoor is de prinses Palez, de echtgenote van grootvorst Paul Aleksandrowitsj, links voor Jenny Visser-Hooft en middenachter, met pet, Philip Visser.
Zweden en Hedin
Vóór hun vertrek naar Rusland in 1916 overleed de vader van Philip. Hierdoor werd hij firmant van het familiebedrijf ‘Daniel Visser en Zoonen’ – ‘De Graauwe Hengst’. Dit maakte (financieel) de weg vrij om hun passie te volgen, naar Zweden te emigreren en op expeditie te gaan naar Midden-Azië. Inmiddels was Sweerts de Landas gezant in Stockholm en besloot Philip in 1919 als honorair attaché toe te treden tot de diplomatieke dienst aldaar.
Op 2 maart 1921 stuurde Jenny aan Sven Hedin, in het Frans, een uitnodiging voor een diner op de Nederlandse legatie in Stockholm. Hedin was in zijn tijd een internationaal beroemde ontdekkingsreiziger.
Binnen de Koninklijke Zweedse Academie van Wetenschappen bevinden zich de Sven Hedin Archives. Hier is de correspondentie van met name Jenny met Hedin terug te vinden. In het genoemde archief bevindt zich een blad met aantekeningen van Hedin tijdens hun eerste diner. Hierop noteerde hij dat Jenny vijfenzeventig toppen en passen had beklommen, waaronder eenendertig vierduizenders. Daarnaast zullen zij uitvoerig over de Karakoram hebben gesproken. Jenny en Philip bereidden in die periode hun eerste expeditie van 1922 voor. Zij hadden aanvankelijk het idee naar het gebied van de Nun Kun te gaan, maar Hedin bracht hen op andere gedachten. Zij konden zich, volgens hem, beter richten op de Karakoram, daar waren nog niet geëxploreerde bergen, dalen en gletsjers.
Het was vooral Jenny die, meestal in het Duits, maar ook in het Engels, correspondeerde met Hedin. Het waren voornamelijk uitwisselingen van beleefdheden en wederzijdse interesses. Een ansichtkaart uit Berlijn. Korte briefjes met mededelingen over hun expedities. Door Jenny zelf geaquarelleerde kerstkaarten. Een welkom terug in Zweden na een reis. Tevens wisselden zij informatie uit over hun latere derde expeditie.

Onderweg naar Brits-Indië voor de eerste expeditie – Philip, Brantschen, Jenny en Lochmatter – 1922
Eerste expeditie 1922
Op 4 mei 1922 vertrokken Jenny, Philip en twee Zwitserse berggidsen, Lochmatter en Brantschen, vanuit Rotterdam naar Brits-Indië voor hun eerste expeditie naar de Karakoram. Karakoram betekent zoiets als ‘zwarte bergketen’, een naam afkomstig van Turkestaanse handelaren, die met karavanen over de Karakoram van Centraal-Azië naar India trokken.
Jenny, nu vierendertig, haar echtgenoot, veertig jaar, en de berggidsen gingen vervolgens op 22 juni 1922 op weg vanuit Srinagar naar de Saser Muztagh tussen de rivieren Nubra en Shyok. Een berggebied dat zich honderdvijftig kilometer ten noorden van Leh in Ladakh uitstrekt. Dit bergmassief heeft enorme gletsjers en meerdere toppen boven de 7.000 meter. Het was nauwelijks verkend door Europese ontdekkingsreizigers. In elk dorpje waar zij kwamen werd Jenny ontvangen alsof zij koningin Wilhelmina zelf was.
Wat was het doel van de expeditie? Een lange en kostbare expeditie moest volgens Jenny en Philip nuttig zijn. Daarom wilden zij topografisch, geologisch, botanisch en meteorologisch onderzoek doen. Een dure expeditie moest maatschappelijk relevant zijn en de wetenschap dienen.
- Jenny te paard bij vertrek eerste expeditie uit Srinagar – 1922
- Oversteek met yaks van Khardung La links met witte hoed Jenny – 1922
- Middagthee in een kamp v.l.n.r. Philip, Lochmatter en Jenny staand Brantschen – 1922
Van 19 juli tot half augustus 1922 bleef het expeditiegezelschap in het Thalam Buti dal. De heren verkenden met name drie gletsjers die afstromen van de Saser Muztagh. Jenny bleef doorgaans in de kampen en verzamelde bloemen en planten. In de tweede helft van augustus gingen zij naar een meer zuidelijk gelegen dal, het stroomgebied van de Popache Lungma. Jenny was voortdurend geïmponeerd door de enorme hoogte, grootsheid van de massieven en de weidse panoramische dalen. Onvergelijkbaar met de Alpen.
Anderhalve maand verbleven zij op 5.000 meter, blootgesteld aan de elementen, felle zon, ijle lucht, ijzige kou, hevige sneeuwval, gevaarlijke steenslag en lawines. Of iets heel anders: geplaagd door luizen. Het zat de expeditie niet mee, twee keer hadden ze een periode met voortdurend regen en sneeuw, terwijl ze vastzaten in een koud, hoog kamp. Zeven dagen opgesloten in de tenten vanwege een sneeuwstorm.
Jenny en Philip publiceerden in 1925 een boek met de opbrengsten van hun (wetenschappelijke) onderzoeken tijdens de expeditie.

Het expeditiemateriaal en tenten in Srinagar – midden Jenny met parasol – 1925
Hunza 1925 – Tweede expeditie
In 1925 ging Jenny opnieuw met haar echtgenoot op expeditie. Dit keer naar een onherbergzaam gebied in het noordwestelijke deel van de Karakoram. Het gebied ten noordoosten van de stad Gilgit in het huidige Pakistan. Daar stroomt de rivier de Hunza door de gelijknamige vallei. Het werd één van de meest spectaculaire Nederlandse expedities ooit. Vier maanden onafgebroken in het hooggebergte in honderdtweeëntwintig verschillende kampen. Voortdurend bedreigingen en risico’s. Lawines, overstromingen, slecht weer, verschroeiende zon, gevaarlijke rivieren oversteken, gletsjerbreuken, muiterij onder de dragers, tekort aan voedsel, sneeuwstormen, neerstortende rots- en puinmassa’s. Vlak voor de expeditie startte schreef Jenny, op papier van het Taj Mahal hotel in Bombay – nu Mumbai – een uitvoerige brief aan Hedin in Stockholm om hem te informeren over de plannen voor deze tweede expeditie.

Jenny op paard op de Buzilpas – 1925
Onderweg naar Srinagar bezochten zij de maharadja Bhupinder Singh van Patiala. Het gezelschap werd vorstelijk onthaald. Jenny kreeg van de maharadja een jonge Tibetaanse mastiff. De maharadjah zou voorgesteld hebben de hond Patiala te noemen, zodat ze nog veel zouden terugdenken aan zijn koninkrijk. Patiala ging mee op deze expeditie en op de derde expeditie. Jenny raakte zeer gehecht een Patiala. Hij duikt regelmatig op in de boeken van Visser over deze expedities. In het Nationaal Archief is zelfs een briefje terug te vinden, zogenaamd geschreven door een hond aan Patiala, waarin de schrijver zijn bewondering voor de hond uitsprak.

Op bezoek bij de Maharadja van Patiala – 30-01-1925 – Jenny 2e van rechts
Jenny ging zonder moeite mee over de hoogste bergpassen en de lastigste gletsjeroverschrijdingen. Ondertussen bracht de expeditie duizenden vierkante kilometers Karakoram, inclusief een viertal geheel onbekende gletsjers nauwgezet in kaart. Waar Jenny tijdens de eerste expeditie doorgaans in de kampen bleef, ging zij nu mee op de verkenningstochten over grote onbekende en gevaarlijke gletsjers.

Team 2e expeditie – staand v.l.n.r.: kok Khan, Aziza (kok), Perren, Lochmatter, bedienden Munir Khan en Allah Baksh – zittend: Khan Sahib, Visser, Visser-Hooft met Patiala, Van Harinxma – 29-04-1925
Op 30 oktober 1925 was de tweede expeditie terug in Srinagar. Jenny en Philip en Khan Sahib, de Indische cartograaf die mee was geweest, evalueerden de opbrengsten van de expeditie met majoor Kenneth Mason, hoofdinspecteur bij de Survey of India. Zij berekenden samen dat er bijna zevenduizend vierkante kilometer onbekend gebied in kaart was gebracht. In het standaard werk ‘Abode of Snow’, over alle uitgevoerde ontdekkingsreizen en beklimmingen in de Himalaya en Karakoram, was Mason lovend over deze expeditie van Jenny en Philip. “Few mountain expeditions have brought back so rich a harvest in so short a time.”

Jenny op een yak in het Ghujerabdal – 30-06-1925
In 1926 publiceerde Jenny in Londen over deze expeditie het boek Among the Kara-Korum glaciers in 1925. Het boek kreeg goede recensies, onder meer in Nature in 1927. “Mrs. Visser, who makes little of her own exploits, crossed glaciers and passes the existence of which was unknown even to the natives of the district.”

Jenny wordt tijdens een oversteek over de Hispar rivier gedragen – 1925
Onderweg naar het Hunza gebied werd de expeditie overal met alle egards ontvangen door de arme lokale autoriteiten. Overigens werd dit ceremonieel versterkt door de aanwezigheid van memsahib Jenny Visser-Hooft. Plaatselijke dorpelingen sprongen spontaan in een rivier om Jenny te helpen er doorheen te waden. Een vrouw binnen een expeditie was bijzonder. Jenny kreeg cadeaus aangeboden, waaronder een schaap dat zij Piet noemde. Deze Piet zou de hele expeditie meelopen. Ter illustratie van haar soepele schrijfstijl uit Among the Kara-Korum glaciers in 1925:
“Pete was a sheep. Certainly he never dreamed, when grazing on his native pasture above Peshwari, what a strange fate Destiny had in store for him. The fate that had seemed most likely was an untimely end preceding an appearance upon oud dinner-table in the form of mutton-chops. (..) And although in an short time he had completely lost his starved look, and become round and plump, we realised that we should really feel like cannibals if we dreamed of ever eating Pete. Thus, good coming out of evil, he became our mascot sheep, and he certainly brought us luck.”

Op bezoek bij de mir van Hunza. V.l.n.r. zoon van de mir, Khan Sahib, Van Harinxma, Visser, de mir met zijn jongste zoon, Visser-Hooft. Voor Khan twee kleinzonen van de mir – 1925
Bij het afscheid van de dragers van de expeditie zei de oudste: “Och, we waren wel eens héél moe, en we waren wel eens bang, maar als wij dan ‘Memsahib’ voor zagen gaan, dan durfden geen van allen wat te zeggen en dan sjorden de koelies de vrachten maar weer op hun rug om de Sahibs te volgen”. Jenny’s aanwezigheid had dus tegelijk dat effect.
De expeditie was buitengewoon succesvol geweest. Bij terugkeer in Nederland wachtte Jenny en Philip een groots onthaal.

Terugkeer na tweede expeditie in Rotterdam – februari 1926
De derde expeditie 1929-1930
De derde expeditie van Jenny en Philip Visser-Hooft vertrok op 2 mei 1929 vanuit Srinagar. Deze expeditie werd anders en langer dan de vorige twee. De derde liep namelijk van februari 1929 tot en met augustus 1930. Tijdens deze expeditie werd een overschrijding gemaakt van de Karakoram vanuit Brits-Indië naar China.

Persfotografen bij het vertrek van Jenny en Philip op 2 februari 1929
Zij trokken langs de eeuwenoude karvaanroute vanuit Leh over de Karakoram naar Yarkand en Kashgar in Xinjiang. Dat is bepaald geen makkelijke route onder meer door de Taklamakan zandwoestijn. Overal langs de route troffen zij kadavers van dode lastdieren, omgekomen door oververmoeidheid, droogte en zandstormen.
Onderweg naar China verbleef de expeditie drie weken onafgebroken op een hoogte tussen de 5.000 tot 6.000 meter.
Groepsfoto expeditieleden bij Panamik op 9 juni 1929, zittend v.l.n.r. Paulus, Visser, Visser-Hooft, Sillem, Xavier, staand kok Visser c.s., kok Khan, Wyss, cartograaf Khan Sahib, Lochmatter en een Fazl
De sleutel tot het begrijpen van ‘het waarom’ van deze expeditie ligt weer in de contacten met Hedin. Hij verkende de bergwoestijnen van Azië en deed onderzoek in Xinjiang. Het ligt voor de hand dat Jenny en Philip geïnteresseerd waren geraakt in deze gebieden en deze wilden verkennen. Eerder wisselde Jenny met Hedin informatie uit over deze derde expeditie en het overwinteren in Xinjiang. Na deze expeditie, in november 1930 waren zij in Peking en hadden daar een ontmoeting met Hedin.

Oversteken van de Saser La, Lochmatter met hoed, Sillem, Jenny en Khan Sahib.
Aan de Chinese grens en in Xinjiang werden ze met alle egards ontvangen. Jenny en Philip hadden alles goed voorbereid via de Britten. Overal was bekend dat zij kwamen en waren zij welkom. In de winter van 1929 en 1930 verbleven Jenny en de andere expeditieleden in Yarkand. Hierdoor konden zij het volgend voorjaar zo vroeg mogelijk de verkenning de Karakoram voortzetten.
Op 22 oktober 1929 betrok de expeditie in Yarkand het buitenhuis van de Engelse consul te Kashgar. Het buitenhuis bleek kaal en leeg te staan. Met veel smaak en creativiteit wist Jenny er snel een gezellig en comfortabel ingerichte woning van te maken.

Huis in Yarkand winter 1929-1930
In december reisden Jenny en Philip naar Kashgar. Op uitnodiging van de Engelse consul gingen ze daar logeren. Kerstmis en Oud en Nieuw werden aldaar gevierd. Van Yarkand naar Kashgar is een reis over een afstand van tweehonderd kilometer. Ze reisden te paard en deden er vijf dagen over. Het was in deze winter in Xinjiang extreem koud met ‘s nachts temperaturen tot min 28ºC.

Jenny bij de lunch bij de Ambaan – plaatselijke gezaghebber – in Yarkand
Het expeditiegezelschap vertrok op 27 april 1930 retour naar Brits-Indië. Tijdens de expeditie botaniseerde en determineerde Jenny weer een serie bloemen en planten. Tevens maakte zij veel kleine aquarellen. Deze zijn terug te vinden in het Nationaal Archief.

Aquarel van Jenny in Yarkand gemaakt op 3 februari 1930
Jenny en Philip namen tijdens deze expeditie twee persoonlijke bedienden mee, namelijk Paulus en Xavier. Dit waren jongens van een school bij een missiepost buiten Srinagar onder leiding van de Nederlandse pater De Ruyter. De jonge mannen serveerden het eten, ruimden de tenten op, wasten hun kleren en al dergelijke hand- en spandiensten. Op deze wijze werden zij voorbereid om hierna als bediende bij Britten in hun huizen te kunnen werken. Jenny gaf de jongens Engelse les gedurende de expeditie. Na de expeditie reisden zij met Jenny en Philip mee naar Nederlands-Indië, China en Japan.

Jenny geeft de persoonlijke bedienden Xavier en Paulus Engelse les 1929
Dr. Rudolf Wyss, een Zwitserse geoloog en berggids die mee was tijdens deze expeditie, schreef later dat zij elke avond met elkaar discussieerden over de observaties van de afgelopen dag. In het expeditieteam heerste een sfeer van respectvolle vriendschap. Het woord ‘teamwork’ was in 1929 nog niet uitgevonden, schreef Wyss later, maar was wel aan de orde. Wyss: “Die vier Expeditionen des Ehepaares Visser-Hooft werden allezeit zu den bedeutendsten und bestgeführten zählen, die im centralasiatischen Hochgebirge sind ausgeführt worden”.
Calcutta en Nepal
In 1931 werd Philip benoemd tot consul-generaal in Calcutta – nu Kolkata – in Brits-Indië. In zijn periode als consul-generaal verbleven Jenny en Philip in de hete zomermaanden in Shimla, in het koelere noorden van India. In de koloniale tijd was Shimla de zomerresidentie van de regering van Brits-Indië. Het verblijf van de Nederlandse en Japanse consul-generaal in Shimla was een exclusief privilége dat de Britten aan deze twee landen hadden toegekend.

Dienstauto met Jenny voor consulaat-generaal Calcutta – 1932
In 1932 reisden Jenny en Philip Visser-Hooft naar Nepal. Dat was uniek, omdat Nepal tot de jaren vijftig van de vorige eeuw nagenoeg afgesloten was voor buitenlanders. Mensen die Nepal wilden bezoeken, dienden vooraf toestemming te vragen aan de Brits-Indische en Nepalese regering. In de praktijk werd die nauwelijks gegeven.

Patan 1932 – foto Visser
Jenny en Philip waren in Delhi toen zij een uitnodiging ontvingen voor tuinfeest ter ere van de maharadja Juddha Shumsher Jung Bahadur Rana. Rana was in dat jaar ‘resident’ van Nepal geworden. Feitelijk was hij de machthebber in Nepal. De koning van Nepal, Tribhuvan Bir Bikram Shah, had grotendeels een ceremoniële positie. De echte regerende macht lag in die tijd bij de familiedynastie van de Rana’s.
Rana was voor een officieel bezoek in Brits-Indië. Leden van zijn gevolg nodigden tijdens het tuinfeest tot hun verbazing Jenny en Philip uit om met hem te spreken. Zij voerden een levendig gesprek waarin bleek dat Rana goed geinformeerd was over hun expedities. Zelfs toonde hij belangstelling voor Jenny’s Tibetaanse mastiff Patiala. Aan het einde van het gesprek nodigde Rana hen uit voor een bezoek aan Nepal.
Jenny en Philip werden bij de grens opgehaald door een auto van de maharadja. Deze kon nog net rijden door het laagland van Nepal, maar zodra het bergachtig werd gingen zij te voet verder met vooruitgestuurde pony’s voor de bagage. Na drie dagen te hebben gelopen overzagen zij de schitterende Kathmandu vallei. Jenny en Philip waren overweldigd door het fascinerende panorama met aan de horizon de witte bergreuzen van de Himalaya.

Jenny bij de parade in Kathmandu in het midden met witte pantalon koning Tribhuvan – 1932
De volgende dag waren zij als gasten van Rana aanwezig bij een militaire parade. Hier ontmoetten zij koning Tribhuvan. Ook hij informeerde naar hun expedities. Later gingen zij op audiëntie bij Rana in het Singha Durbar paleis, tot de jaren vijftig een van de meest exquise en weelderige paleizen ter wereld.
Zij bezochten alle interessante bezienswaardigheden, Durbar Square, Patan, de stupa van Bodhnath, Swayambhunath, Bhaktapur en Pashupatinath.
Jenny en Philip Visser waren, zeer waarschijnlijk, het derde Nederlandse reisgezelschap dat Nepal bezocht nadat het in 1816 werd afgesloten voor buitenlanders.

Jenny met dragers en Patiala op weg naar de Shaksgamvallei – 1935
Laatste expeditie
In 1935 ondernamen Jenny en Philip voor de vierde keer een expeditie naar de Karakoram. Dit keer vanuit het India, het land waar zij toen woonden en werkten.
Deze vierde expeditie had twee ambitieuze doelstellingen. Eerst wilden zij nog een deel van de Saser Muztagh in kaart brengen.
Hierna ging de expeditie de Shaksgamvallei in Kasjmir verkennen. De vallei omvat 5.180 km², bestaat uit het breed lang dal van 70 kilometer waardoor de gelijknamige rivier stroomt en ligt zeer hoog, grote delen boven de 5.000 meter. Van begin juli tot midden augustus is het dal zeer lastig begaanbaar, de rivier is dan nauwelijks over te steken, omdat deze bijna permanent buiten haar oevers treedt.
In Leh sloot de heer Peter jr. aan. Jenny had zijn vader geschreven of zijn zoon mee zou kunnen met de expeditie. In een brief van Peter jr. aan Jenny presenteerde hij zijn capaciteiten als ‘caravan-bashi, hunter en collector’. Hieruit blijkt dat Jenny belangrijke voorbereidingen voor de expedities regelde.

Zittend v.l.n.r. bediende, Oguldan, Philip, Jenny, Paulus, bediende, staand Muhammed Akram, Peter, Khan Sahib, Wyss, kok – 1935
Na een succesvolle expeditie volgde een lange terugtocht van bijna twee maanden naar Srinagar. Eerst terug naar de Depsangplateau waar een opslagkamp was. Het was slecht weer. Philip werd ziek, hoge koorts en hevige pijn in armen en benen. Jenny stuurde een koerier vooruit om de arts in Leh te vragen hun tegemoet te komen. Philip werd op een geïmproviseerde brancard de Khardung La overgedragen. Gelukkig herstelde hij in Leh voldoende om na een week de terugtocht naar Srinagar te voltooien. Het tijdperk van de expedities van Jenny en Philip Visser-Hooft was hiermee ten einde gekomen.
Istanbul – Turkije
In 1938 werd Philip Visser benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in Turkije. Istanbul, het oude Constantinopel, was en is een prachtige historische stad aan de Bosporus met een gematigd klimaat. Jenny zal blij zijn geweest zich hier te vestigen, weg uit warme vuile Kolkata waar zij sinds 1931 woonden. Een bron geeft aan dat Jenny en Philip klimtochten zou hebben ondernomen in Turkije.
Rampspoed overviel het echtpaar toen op 16 september 1939 geheel onverwacht Jenny na een kort ziekbed in Ankara overleed. Sinds hun huwelijk in 1912 hadden ze zevenentwintig jaar lief en leed gedeeld en enorm grote reizen gemaakt.

Krantenberichten uitvaart Jenny Visser-Hooft – 4 november 1939
Jenny’s lichaam werd met het stoomschip de Orion naar Nederland gerepatrieerd. Op 4 november 1939 vond de uitvaart plaats op de begraafplaats Eik en Duinen in Den Haag. Onder meer haar vriendin en voormalig Tweede Kamerlid mr. dr. Elisabeth Carolina (Lizzy) van Dorp en oude bergsportvriend mr. Hendrik Knottenbelt voerden het woord. Zij prezen Jenny’s vastberadenheid, wilskracht en haar literaire begaafdheid. Philip zelf sprak ook tijdens de afscheidsbijeenkomst. Hun huwelijksgeluk lag niet in de expedities of in het bergbeklimmen, vertelde hij, maar in de kleine dingen van het leven. “Als zij zat te handwerken en ik haar een boek voorlas, of we beiden aan ’t werk waren, schenen dat zulke eenvoudige uren. Ik realiseer me dat eerst recht na de 27 jaren. Die kleine dagelijkse dingen waren Godsgeschenken van het beste soort. Jenny, ik ben dankbaar, dat je me dit gegeven hebt.”
In 1940 maakte Fransje Carbasius in opdracht van vrienden een buste voor Jenny’s nagedachtenis. Deze wordt bewaard in het Koninklijke Instituut voor de Tropen.

Presentatie van de buste van Jenny in het Tropenmuseum, Philip zit rechts naast het beeld – 1940
Beschouwing
Jenny werd geboren in 1888. De periode tot 1914 waarin zij opgroeide en volwassen werd kenmerkte zich door een globaliseringsgolf. Het was een fase van hoogconjunctuur met vrije handel, industrialisatie en economische groei. Jenny werd opgevoed in een gefortuneerd adellijk milieu in Engeland en kort in Nederland. Zij bezocht jaren een kostschool in Genève. Zij sprak vloeiend Engels, Duits en Frans.
De Eerste Wereldoorlog betekende voor Jenny een omslag in haar onbezorgde leven. Nederland bleef weliswaar neutraal en van feitelijk oorlogsgeweld gevrijwaard, maar leed onder voedseltekorten, gebrek aan brandstof en een invasie van Belgische vluchtelingen. Jenny werd hard met de realiteit van de oorlog geconfronteerd. Eerst tijdens hun vastgelopen expeditie in de Kaukasus in 1914 en de gedwongen terugreis dwars door Rusland. Daarna door haar betrokkenheid in 1916 bij het militaire noodhospitaal in Rusland.
Er is nagenoeg niets bekend over haar politieke en maatschappelijke opvattingen. Zij onderhield vriendschappelijke contacten met vrouwen uit de emancipatiebeweging zoals met Lizzy van Dorp. Zij kende haar al via de Alpenverenging en gezamenlijke bergtoeren in Zwitserland in 1911. Het archief van Lizzy van Dorp bevat correspondentie met Jenny alsmede foto’s van haar.
Van Dorp vond dat als een vrouw zich kon redden in de bergen, zij ook recht had op het kiesrecht. Het ligt in de rede te veronderstellen dat Jenny deze opvatting deelde.
Nederland werd zwaar geraakt door de wereldwijde economische neergang in de twintigerjaren van de vorige eeuw. Jenny wilde weg uit het benauwde Nederland. Op 14 november 1919 verhuisden zij naar Stockholm waar Philip ging werken op het Nederlandse gezantschap aldaar. Het echtpaar was bevriend de prins Zu Wied en diens vrouw. Met hen gingen ze veel paardrijden in Zweden.

Presentatie van de buste van Jenny in het Tropenmuseum, Philip zit rechts naast het beeld – 1940
Tegelijk maakten zij plannen, mede geïnspireerd door Sven Hedin, voor hun uitdagende expedities naar de Karakoram. Hun motief om op expeditie te gaan was ‘(…) het verlangen de ellende in het hedendaagse Europa te ontvluchten.’ Dat was de belangrijkste push factor voor Jenny om ‘op reis’ te gaan, naast pull factors als ‘van ongebreidelde vrijheid genieten midden in ongerepte natuur’, en ‘de wens om overweldigende dingen te zien’, en de ‘eerzucht om onbekende plekken op aarde in kaart te brengen’, of tenslotte de ‘lust naar avontuur’.
Het is ingewikkeld een goed beeld te krijgen van de persoon van Jenny. Er zijn geen dagboeken van haar bekend. Haar correspondentie met bijvoorbeeld Lizzy van Dorp en Sven Hedin heeft weinig diepgang. Tegelijk had zij een enorm groot internationaal netwerk in bestuurlijke, adellijke en wetenschappelijke kringen.
Jenny en Philip hadden goede wederzijdse banden met het Koninklijk Huis. Vlak voor een vertrek werden zij door de koninginmoeder Emma op het Paleis Voorhout ontvangen. Prins Hendrik bezorgde hun een Nederlandse vlag voor een expeditie. Koningin Wilhelmina bezocht een presentatie over hun avonturen.
Jenny werd geprezen om haar doorzettingsvermogen, onverzettelijkheid en literaire talent.
Haar huwelijk bleef zonder kinderen. Dat zou een keuze geweest kunnen zijn om haar avontuurlijke leven mogelijk te maken.
Rond de expedities was het Philip die met publicaties en lezingen voortdurend op de voorgrond trad. Dat neemt niet weg dat Jenny sterk bepalend was voor al hun plannen en de uitvoering daarvan. Jenny en Philip waren ‘bekende Nederlanders’ en daar waren zij zich bewust van. Jenny kwam geregeld in de media. In tijdschriften werd zij tot voorbeeld gesteld, “Een Nederlandsche vrouw, op wie wij trotsch zijn”. Zij gaf radio-interviews, “De ervaringen van eene Vrouw in het Expeditieleven”.
Bevreemdend is evenwel dat Jenny in haar boek niet wat nader inging op Fanny Bullock-Workman. Het Amerikaanse echtpaar Bullock-Workman ondernam tussen 1898 en 1912 vijf expedities in de Karakoram. Fanny Bullock-Workman moet toch een inspirerend voorbeeld zijn geweest voor Jenny.
De expedities werden in de Nederlandse media, vooral in de kranten – toen de belangrijkste nieuwsbron – als een doorslaggevend succes gepresenteerd. Zij zag kans over de tweede expeditie een boek in het Engels te publiceren.
Jenny was een geprivilegieerde vrouw, uit een gefortuneerd en welgesteld milieu met een sterke internationale oriëntatie. Een globetroter die zich ontwikkelde als voortreffelijk alpiniste en expeditie- en ontdekkingsreiziger.

Wisseltrofee de ‘Jenny Visser-Hooft Pickel’ – foto Katja Staartjes
Nalatenschap
De afgelopen decennia heeft Jenny veel aandacht gekregen. In 2006 introduceerde Frans Visser, de in 2015 overleden zoon van Philip en zijn tweede vrouw, de Jenny Visser-Hooft Pickel. Een wisseltrofee voor bijzondere alpiene prestaties van Nederlandse vrouwen, als een inspiratie voor nieuwe generaties alpinistes. De eerste keer overhandigde hij de honderd jaar oude pickel aan Frederike Bloemers, leider van de eerste Nederlandse vrouwenexpeditie in de Himalaya in 1988. Later ging deze naar Katja Staartjes, Nederlands eerste vrouw op de Mount Everest.
De expedities van Jenny en Philip Visser-Hooft waren voor ons land uniek. Deze zijn van een niet te onderschatten waarde geweest voor de ontwikkeling van de georganiseerde Nederlandse bergsport. Zij inspireerden Nederlandse alpinisten in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw om op expeditie te gaan.
Jenny werd daarmee tot op de dag van vandaag een inspirerend voorbeeld voor velen.
Deze biografische schets werd gepubliceerd op het online geschiedenismagazine Historiek. Lees hier.
Een exemplaar van dit artikel met volledige verantwoording van bronnen, literatuur, archieven en alle voetnoten, kan hier gedownload worden.



